Ga naar de inhoud
cropped-DGVHoegaarden-logo-1181x1181-1.png

Degazetvanhoegaarden.be
De Gazet van Hoegaarden, Outgaarden en Meldert Regio Tienen

Met medewerking van

OOWGEDS IN BILLEKES LES 50, p. 196, 197, 198 en 199 

Les 50, p. 196 en 197

LES 50, p. 196 en 197

Voor de juiste uitspraak en schrijfwijze, zie bij Publicaties op deze website: Praktische Grammatica, p. 17 – 22, of Lexicon van het Hoegaards dialect, p. 7 – 14.

  • Woordenschat: meuj = moe (of muur) / slööpe = slapen / màk! = maak! /oep tèèd = tijdig / mowàger = mager / màwge = mogen / gebrààke = gebruiken / wööge = wegen / gebrekt = gebruikt / wèèzer = wijzer / tèrmomàjter = thermometer / vermowàgere = vermageren 
  • Woordenschat rond slapen gaan (Grammatica p. 110) ich zén meuj …
  • Màk! = imperatief of gebiedende wijs van mowàke (Grammatica p. 74, 75)
  • Woordenschat rond bevelen (Grammatica p. 107)
  • Gebruik van de n, voor ‘d’ of ‘t’ (Grammatica p. 38, voetnoot 50) den twide / nen tèrmomàjter / dééjàn dikke …
  • Woordenschat rond vorm en afmetingen (Grammatica p. 124) Dèèjà wöögt fèftig kilàw…
  • Herhaling telwoorden (Grammatica p. 45) onded / fèftig
  • Gebruik van de lijdende vorm of passief (Grammatica p. 72 en 73) Dèè wéd ni vajl nemieje gebrekt …
  • Het hulpwerkwoord ‘zulle’ (Grammatica p. 66) Zaa da ne màjter zén?…
Les 50, p. 198 en 199

LES 50, p. 198 en 199

Voor de juiste uitspraak en schrijfwijze, zie bij Publicaties op deze website: Praktische Grammatica, p. 17 – 22, of Lexicon van het Hoegaards dialect, p. 7 – 14.

  • Woordenschat herhaling: mélek = melk / wààremte = warmte / veuj = vuur / zowàk = zaak / breujf = brief / kééjes = kaas / vliejes = vlees / snuujef = sneeuw / àrlozje = horloge / ond = hond / reveujr = rivier / vààreke = varken / biejen = been / pééjàd = paard / daj = deur / schap = kast / plassàjre = plaatsen / bààreg = berg / zjat = kopje / koetsj = koets / ààs = huis / teluujer = bord / làjper = lepel / kastrol = kookpot / ééjete = voedsel / zaat = zout / ààre = eieren / tès = zak / pèèp = pijp / èèland = eiland / regàjréng = regering / knop = knoop / dowàke = daken / mès = mes / oowd = hoed / voowt = voet / bot = laars / andschoown = handschoen / um = hemd / dirèkse = directie / èès = ijs / ziejep = zeep / kaas = kous / schàwtel = schotel. 
  • Vervoeging ‘gééjeve’ / hoofdtijden : gaf, gegééjeve. OTT: ich gééjef, gèè géft, ééjà géft, wèlle gééjeve …
  • Vragende voornaamwoorden (Grammatica p. 54) van wa ? wa(d)? wèè? …
  • Voltooid tegenwoordige tijd (Grammatica p. 68) w’émme gezét …